Nederlandse kinderen zijn fit, of niet?

Onderstaand artikel is geschreven door Ruud Broekhuizen. Ruud is bewegingswetenschapper en vader van twee sportende kinderen (8 en 11). We kennen Ruud ook als de trainer van de SC Gouda pupillen op de droogtraining. Zijn observaties en ervaringen liggen aan de basis van een column voor de Stichting Instituut MultiSkills.

Nederlandse kinderen zijn fit, maar lang niet fit genoeg. Erger nog: we bewegen steeds slechter. En dat is slecht voor onze topsport, voor de breedtesport en uiteindelijk ook voor onze gezondheidszorg. De oplossing ligt misschien wel in de samenwerking tussen sportverenigingen en gemeentes: die kunnen een grotere diversiteit aan beweging aanbieden. Gemeentes, laat maar eens zien of jullie voldoen aan de FitNorm!

Nederlandse kinderen zijn fit. Uit onderzoek van TNO in 2010 bleek dat meer dan 40% van de jongeren voldoet aan de veel gehanteerde FitNorm (minimaal 3x per week 20 minuten zware, intensieve, lichamelijke arbeid). Lid zijn van een sportvereniging levert de belangrijkste bijdrage aan het halen van die norm. In groep 8 van de basisschool beoefent bijna 90% van de jongeren een sport.  Maar Nederlandse kinderen zijn lang niet fit genoeg. In datzelfde jaar 2010 liet een onderzoek van het VU Medisch Centrum zien dat de jongeren veel slechter bewegen dan 30 jaar geleden. Een groot onderzoek onder kinderen van diezelfde groep 8 liet zien dat op het gebied van kracht, snelheid, lenigheid en coördinatie de jongeren veel minder goed presteren dan voorheen. En dat is om een aantal redenen zorgelijk.

Gezondheidzorg

Het gaat hier namelijk om de achteruitgang van de zogenaamde grondmotorische eigenschappen. Het is de basis van ons bewegen en ons sporten die blijkbaar steeds slechter wordt. Dat is voor de topsport zorgelijk omdat het de ontwikkeling van talenten bepaalt. Zo wordt bij de voetbalacademie van FC Twente bijvoorbeeld aan de hand van de ontwikkeling van de grondmotorische eigenschappen de trainingsinhoud bepaald. Wie minder goed beweegt, wordt minder belast en zal op den duur dus wellicht minder progressie boeken. Maar ook voor de gehele breedtesport is de achteruitgang van motorische eigenschappen reden tot zorg. In onderzoeken wordt namelijk het verband gelegd tussen deze basisvaardigheden -onze fysieke geletterdheid- en ons streven om een leven lang fysiek actief zijn. Voor de overheid is dit een leven lang sporten belangrijk om mensen langer gezond te houden, en om op die manier de kosten van de gezondheidszorg in toom te houden. De achteruitgang in bewegen is dus ook een financiële zorg. Dit maakt de verantwoordelijkheid van sportverenigingen enorm groot. Zij hebben immers al deze jongeren onder hun hoede op al hun sportvelden en sporthallen. De club moet niet alleen de jeugd zo trainen dat ze op een bepaald niveau sport kunnen beoefenen, ze hebben ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid om de basis te leggen voor een gezonde en fitte bevolking. Op basis van persoonlijke waarneming durf ik de stelling wel aan dat sportverenigingen in ons land deze verantwoordelijkheid niet nemen.

Vaardigheden

Ter illustratie van die mening een tweetal voorbeelden uit mijn eigen omgeving. Mijn dochter van 8 is onlangs lid geworden van een hockeyvereniging. Er wordt tweemaal per week training gegeven, voornamelijk door gemotiveerde ouders en enthousiaste jeugdleden van de vereniging. In alle trainingen die tot dusver zijn gegeven is de hockeystick nog niet uit de kleine kinderhandjes geweest; er is alleen nog maar getraind op hockeyspecifieke vaardigheden. Een warming-up is er al helemaal niet bij.

Een ander voorbeeld uit de familie is mijn zoon van 11. Hij is al een aantal jaren fanatiek sporter, onlangs veranderde hij van sport en werd lid van een rugbyvereniging. Al na twee weken deed hij mee aan wedstrijden en toernooien, en al na zes weken liep hij bij een wedstrijd een stevige blessure op. Een blessure die te wijten was aan juist het onvoldoende beheersen van de rugbyspecifieke vaardigheden. Zijn deze twee zaken dan juist niet in tegenspraak met elkaar? Nee. Het geeft in een notendop aan hoe verenigingen met hun leden omgaan.

Experience

Sportclubs lijken er in toenemende mate op gericht te zijn om hun leden te pleasen en te vermaken. Leden worden snel ingezet en klaargestoomd voor wedstrijden omdat dit natuurlijk het leukste is van sport beoefenen. Daarnaast bieden clubs steeds meer activiteiten aan om hun leden ‘iets extra’s’ te kunnen bieden. Sportieve themaweekenden, trainingskampen, uitwisselingstoernooien met buitenlandse verenigingen, niets zal het aan het kind ontbreken om van het lid zijn van een sportclub ook ‘een belevenis’ te maken. Het liefst een experience.

De clubs lijken ook steeds prestatiegerichter te worden. De jeugd wordt voornamelijk sportspecifiek getraind, wedstrijdsituaties worden gesimuleerd en de training staat in het teken van de wedstrijd van het aanstaande weekend. Ouders en trainers lijken weinig geduld te hebben bij de ontwikkeling van het kind. Ten koste van de basisvaardigheden van de sporters.

Balletles

Topsport is altijd in ontwikkeling. Naast tactiek en techniek is er in toenemende mate aandacht voor de fysieke ontwikkeling van de atleten. Fitheidstrainers bij het hockey, looptrainers bij voetbal en rugby, krachttrainers bij judo en wielrennen. Niet zelden hebben deze trainers een achtergrond in de atletiek. Of deze sport nu terecht de moeder van alle sporten wordt genoemd laat ik in het midden, het is wel een sport waar al geruime tijd breder wordt gekeken dan alleen de ontwikkeling van sportspecifieke vaardigheden. Ook in de breedtesport. Al in de tijd dat ik nog actief aan atletiek deed, inmiddels 20 jaar geleden, kregen wij balletles voor de lenigheid en sprongkracht, en trainden we in de boksschool om onze coördinatie en conditie te verbeteren. Het was niet alleen goed voor afwisseling binnen de trainingsschema’s, je voelde dat lichaam werd aangesproken om andere vaardigheden en spieren te trainen. Toch zag ik de vraagtekens op de gezichten van andere sporters als ik ze hierover vertelde.

Maar misschien is er een kentering gaande.

De hockeybond publiceerde dit jaar een artikel in het blad Hockeyvisie onder de titel een betere hockeyer door een betere motoriek. Jonge hockeyers krijgen niet alleen les op het hockeyveld, maar ook op de judomat, in de turnhal en op de atletiekbaan. Allemaal vanuit de filosofie dat je met een betere coördinatie, lenigheid en kracht beter gaat hockeyen. Gelukkig zijn er al meer verenigingen of sportbonden die de meerwaarde van zo’n multidisciplinaire training inzien.

Droogtraining

Bij Schaats- en Skeelerclub Gouda verzorg ik sinds drie jaar wat ze noemen de droogtraining. Wat zoveel wil zeggen als de training die niet op het ijs- of de skeelerbaan plaats vindt. Ik train de groep jongeren in de leeftijd van 8 tot 13 jaar, een groep die voorheen maar één keer per week op de schaatsen of skeelers stond. En dus alleen maar schaatsgerichte oefeningen deed. Het was een groep die nog weinig kaas had gegeten van het goed doen van een warming-up, die geen lenigheidoefeningen deed en waarbij de rompspieren voor de stabiliteit maar matig ontwikkeld was. Door het aanbieden van oefenstof uit –vooral- de atletiek en daar waar mogelijk verbanden te leggen tussen deze sport en het schaatsen, is de club erin geslaagd om de jeugdige schaatsers een veel bredere motorische basis mee te geven. Iets waar ze in hun verdere sportieve carrière nog veel aan zullen hebben. En iets waar andere sportverenigingen zich door kunnen laten inspireren.

Uitdaging

Want zo moeilijk is het niet om te organiseren. Het verenigingsleven bloeit in Nederland, in dorpen en steden zijn vaak tientallen sportverenigingen, niet zelden op hetzelfde sportcomplex. Wat let de clubs om elkaars kunde en kennis te gebruiken? Zeker als je weet dat je daar betere sporters van krijgt en je de jongeren alleen nog maar een gevarieerder aanbod kunt doen met je club. Met je voetbalteam een aantal bokslessen volgen…als dat geen experience is!

Want verenigingen zitten niet te wachten op (nog meer) maatschappelijke verantwoordelijkheden natuurlijk. Door met elkaar samen te werken en je aanbod te vergroten wordt het meer een uitdaging, en dat klinkt al een stuk prettiger. Al wordt het ook een uitdaging op zich om ouders uit te leggen dat je fanatiek rugbyende zoon een tijdje balletlessen gaat volgen! Bestuurders van clubs zullen dus moeten kunnen toelichten dat dit soort lessen meer bijdragen aan de sportieve ontwikkeling van hun leden, dan een kampweekend of een sportieve uitwisseling met een bevriende Duitse club. De verantwoordelijkheid om dat aan hun achterban uit te leggen kun je clubs wel geven.

FitNorm voor gemeentes

De verantwoordelijkheid om samenwerking tussen clubs te ontwikkelen en te ondersteunen kun je wel bij gemeentes leggen. Zij zouden de samenwerking tussen verenigingen kunnen faciliteren. Zij hebben bovendien vaak al een prachtig instrument in handen: De Brede School. Een gemeentelijke voorziening waarmee aan scholieren niet alleen culturele maar ook sportieve activiteiten wordt aangeboden. Die sportieve activiteiten worden vaak al ingevuld door de sportverenigingen zelf. Gemeentes kunnen er voor zorgen dat deze activiteiten niet alleen dóór clubs worden verzorgd, maar ook vóór de clubs. Dit allemaal voor een brede, fysieke ontwikkeling van de jeugd, voor een leven lang gezond sporten zonder blessures. En voor de kosten van onze gezondheidszorg. Feitelijk zouden dus niet alleen de burgers, maar ook de gemeentes moeten voldoen aan de FitNorm.

Ruud Broekhuizen

Ruud Broekhuizen studeerde Bewegingswetenschappen. Hij gaf looptraining aan het eerste dameshockeyteam van Huizen, momenteel geeft hij atletieklessen aan jonge schaatsers. Hij is vader van 2 sportende kinderen. Hij schreef dit artikel niet namens SC Gouda maar op persoonlijke titel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *