Categoriearchief: Training

Indoor training op inline-skates 2013

Om een vliegende start te kunnen maken richting het inline-skate seizoen zijn we gestart met het onderzoeken van de indoor trainingsmogelijkheden in de gemeente Gouda. Daarvoor zijn we in contact getreden met de verschillende instanties, zoals beheerders van sporthallen, fabrikanten van sportvloeren, verenigingen en de KNSB

Los van de beschikbaarheid van de accommodatie is voor een beheerder de voornaamste vraag of inline-skaten schade kan veroorzaken aan de vloer. Het was dus zaak om op basis van een inventarisatie door het land informatie te verzamelen over of er sprake van een verhoogd risico is met inline-skaten op een vloer van een sporthal. De verschillende andere beheerders en verenigingen meldden geen schade tijdens ons “rondje langs de velden”. Sterker nog: een geïnterviewde sporthalbeheerder meldt dat zaalvoetbal (zwarte strepen), volleybal (gat in de vloer a.g.v. het laten vallen van een paal) en schoolactiviteiten eerder schade veroorzaken. Er zijn geen schades bekend ten gevolge van het verantwoord rijden met (schone) skates op een sporthalvloer.

De eveneens geraadpleegde KNSB beschikt nog niet over informatie over indoor training op inlineskates maar verwees ons wel door naar het Instituut voor Sport Accommodaties. De contactperoon aldaar sprak op persoonlijke titel want het was het soort vragen die normaal niet gesteld werden (…..) maar in de 25 jaar inspectie-ervaring was hij nog nooit een verhoogd risico tegen gekomen als het om inline-skaten gaat. De vraag voor hem was meer welk type vloer rijders prettig vonden om op te rijden.

Fabrikant Descol geeft desgevraagd uitgebreide informatie. Op de vraag welke vloer deze fabrikant zou neerleggen als ze het verzoek kregen een inline-skate baan aan te leggen kwam als antwoord: Elite Performance 65XLS. Zij konden ook vertellen dat een dergelijke vloer ook in onze gemeente lag. Uitgevoerd op een houten ondervloer met daarop 4mm rubber en 2mm PU.

Een aantal verenigingen heeft ervaring met indoor training. Deze verenigingen hebben geen ervaring met schade. De rijders rijden gewoon op hun buiten-skates. Alles moet zand-, modder- en vetvrij zijn. Als er zand aan de wielen zit, hebben de rijders daar zelf last van want dan gaan ze glijden. Verder kijken de rijders zelf welke wielen (road, piste, regen) het best bevallen.

De eerste test van de vloer in Sporthal De Zebra in Gouda verliep erg goed, binnen géén tijd hadden de rijders zich aangepast aan de andere omstandigheden. Het vervolg is een vijftal trainingen, ter voorbereiding op het nieuwe seizoen. 2013 Is een testjaar betreffende de indoor trainingen. Na evaluatie met rijders en trainers wordt beoordeeld of het indoor trainen, op deze locatie, in 2014 een vervolg gaat krijgen. De vooruitzichten hiervoor zijn positief.

Bekijk hier een filmpje van de eerste training.

Inline-skate Commissie SC Gouda

Maart 2013

Nederlandse kinderen zijn fit, of niet?

Onderstaand artikel is geschreven door Ruud Broekhuizen. Ruud is bewegingswetenschapper en vader van twee sportende kinderen (8 en 11). We kennen Ruud ook als de trainer van de SC Gouda pupillen op de droogtraining. Zijn observaties en ervaringen liggen aan de basis van een column voor de Stichting Instituut MultiSkills.

Nederlandse kinderen zijn fit, maar lang niet fit genoeg. Erger nog: we bewegen steeds slechter. En dat is slecht voor onze topsport, voor de breedtesport en uiteindelijk ook voor onze gezondheidszorg. De oplossing ligt misschien wel in de samenwerking tussen sportverenigingen en gemeentes: die kunnen een grotere diversiteit aan beweging aanbieden. Gemeentes, laat maar eens zien of jullie voldoen aan de FitNorm!

Nederlandse kinderen zijn fit. Uit onderzoek van TNO in 2010 bleek dat meer dan 40% van de jongeren voldoet aan de veel gehanteerde FitNorm (minimaal 3x per week 20 minuten zware, intensieve, lichamelijke arbeid). Lid zijn van een sportvereniging levert de belangrijkste bijdrage aan het halen van die norm. In groep 8 van de basisschool beoefent bijna 90% van de jongeren een sport.  Maar Nederlandse kinderen zijn lang niet fit genoeg. In datzelfde jaar 2010 liet een onderzoek van het VU Medisch Centrum zien dat de jongeren veel slechter bewegen dan 30 jaar geleden. Een groot onderzoek onder kinderen van diezelfde groep 8 liet zien dat op het gebied van kracht, snelheid, lenigheid en coördinatie de jongeren veel minder goed presteren dan voorheen. En dat is om een aantal redenen zorgelijk.

Gezondheidzorg

Het gaat hier namelijk om de achteruitgang van de zogenaamde grondmotorische eigenschappen. Het is de basis van ons bewegen en ons sporten die blijkbaar steeds slechter wordt. Dat is voor de topsport zorgelijk omdat het de ontwikkeling van talenten bepaalt. Zo wordt bij de voetbalacademie van FC Twente bijvoorbeeld aan de hand van de ontwikkeling van de grondmotorische eigenschappen de trainingsinhoud bepaald. Wie minder goed beweegt, wordt minder belast en zal op den duur dus wellicht minder progressie boeken. Maar ook voor de gehele breedtesport is de achteruitgang van motorische eigenschappen reden tot zorg. In onderzoeken wordt namelijk het verband gelegd tussen deze basisvaardigheden -onze fysieke geletterdheid- en ons streven om een leven lang fysiek actief zijn. Voor de overheid is dit een leven lang sporten belangrijk om mensen langer gezond te houden, en om op die manier de kosten van de gezondheidszorg in toom te houden. De achteruitgang in bewegen is dus ook een financiële zorg. Dit maakt de verantwoordelijkheid van sportverenigingen enorm groot. Zij hebben immers al deze jongeren onder hun hoede op al hun sportvelden en sporthallen. De club moet niet alleen de jeugd zo trainen dat ze op een bepaald niveau sport kunnen beoefenen, ze hebben ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid om de basis te leggen voor een gezonde en fitte bevolking. Op basis van persoonlijke waarneming durf ik de stelling wel aan dat sportverenigingen in ons land deze verantwoordelijkheid niet nemen.

Vaardigheden

Ter illustratie van die mening een tweetal voorbeelden uit mijn eigen omgeving. Mijn dochter van 8 is onlangs lid geworden van een hockeyvereniging. Er wordt tweemaal per week training gegeven, voornamelijk door gemotiveerde ouders en enthousiaste jeugdleden van de vereniging. In alle trainingen die tot dusver zijn gegeven is de hockeystick nog niet uit de kleine kinderhandjes geweest; er is alleen nog maar getraind op hockeyspecifieke vaardigheden. Een warming-up is er al helemaal niet bij.

Een ander voorbeeld uit de familie is mijn zoon van 11. Hij is al een aantal jaren fanatiek sporter, onlangs veranderde hij van sport en werd lid van een rugbyvereniging. Al na twee weken deed hij mee aan wedstrijden en toernooien, en al na zes weken liep hij bij een wedstrijd een stevige blessure op. Een blessure die te wijten was aan juist het onvoldoende beheersen van de rugbyspecifieke vaardigheden. Zijn deze twee zaken dan juist niet in tegenspraak met elkaar? Nee. Het geeft in een notendop aan hoe verenigingen met hun leden omgaan.

Experience

Sportclubs lijken er in toenemende mate op gericht te zijn om hun leden te pleasen en te vermaken. Leden worden snel ingezet en klaargestoomd voor wedstrijden omdat dit natuurlijk het leukste is van sport beoefenen. Daarnaast bieden clubs steeds meer activiteiten aan om hun leden ‘iets extra’s’ te kunnen bieden. Sportieve themaweekenden, trainingskampen, uitwisselingstoernooien met buitenlandse verenigingen, niets zal het aan het kind ontbreken om van het lid zijn van een sportclub ook ‘een belevenis’ te maken. Het liefst een experience.

De clubs lijken ook steeds prestatiegerichter te worden. De jeugd wordt voornamelijk sportspecifiek getraind, wedstrijdsituaties worden gesimuleerd en de training staat in het teken van de wedstrijd van het aanstaande weekend. Ouders en trainers lijken weinig geduld te hebben bij de ontwikkeling van het kind. Ten koste van de basisvaardigheden van de sporters.

Balletles

Topsport is altijd in ontwikkeling. Naast tactiek en techniek is er in toenemende mate aandacht voor de fysieke ontwikkeling van de atleten. Fitheidstrainers bij het hockey, looptrainers bij voetbal en rugby, krachttrainers bij judo en wielrennen. Niet zelden hebben deze trainers een achtergrond in de atletiek. Of deze sport nu terecht de moeder van alle sporten wordt genoemd laat ik in het midden, het is wel een sport waar al geruime tijd breder wordt gekeken dan alleen de ontwikkeling van sportspecifieke vaardigheden. Ook in de breedtesport. Al in de tijd dat ik nog actief aan atletiek deed, inmiddels 20 jaar geleden, kregen wij balletles voor de lenigheid en sprongkracht, en trainden we in de boksschool om onze coördinatie en conditie te verbeteren. Het was niet alleen goed voor afwisseling binnen de trainingsschema’s, je voelde dat lichaam werd aangesproken om andere vaardigheden en spieren te trainen. Toch zag ik de vraagtekens op de gezichten van andere sporters als ik ze hierover vertelde.

Maar misschien is er een kentering gaande.

De hockeybond publiceerde dit jaar een artikel in het blad Hockeyvisie onder de titel een betere hockeyer door een betere motoriek. Jonge hockeyers krijgen niet alleen les op het hockeyveld, maar ook op de judomat, in de turnhal en op de atletiekbaan. Allemaal vanuit de filosofie dat je met een betere coördinatie, lenigheid en kracht beter gaat hockeyen. Gelukkig zijn er al meer verenigingen of sportbonden die de meerwaarde van zo’n multidisciplinaire training inzien.

Droogtraining

Bij Schaats- en Skeelerclub Gouda verzorg ik sinds drie jaar wat ze noemen de droogtraining. Wat zoveel wil zeggen als de training die niet op het ijs- of de skeelerbaan plaats vindt. Ik train de groep jongeren in de leeftijd van 8 tot 13 jaar, een groep die voorheen maar één keer per week op de schaatsen of skeelers stond. En dus alleen maar schaatsgerichte oefeningen deed. Het was een groep die nog weinig kaas had gegeten van het goed doen van een warming-up, die geen lenigheidoefeningen deed en waarbij de rompspieren voor de stabiliteit maar matig ontwikkeld was. Door het aanbieden van oefenstof uit –vooral- de atletiek en daar waar mogelijk verbanden te leggen tussen deze sport en het schaatsen, is de club erin geslaagd om de jeugdige schaatsers een veel bredere motorische basis mee te geven. Iets waar ze in hun verdere sportieve carrière nog veel aan zullen hebben. En iets waar andere sportverenigingen zich door kunnen laten inspireren.

Uitdaging

Want zo moeilijk is het niet om te organiseren. Het verenigingsleven bloeit in Nederland, in dorpen en steden zijn vaak tientallen sportverenigingen, niet zelden op hetzelfde sportcomplex. Wat let de clubs om elkaars kunde en kennis te gebruiken? Zeker als je weet dat je daar betere sporters van krijgt en je de jongeren alleen nog maar een gevarieerder aanbod kunt doen met je club. Met je voetbalteam een aantal bokslessen volgen…als dat geen experience is!

Want verenigingen zitten niet te wachten op (nog meer) maatschappelijke verantwoordelijkheden natuurlijk. Door met elkaar samen te werken en je aanbod te vergroten wordt het meer een uitdaging, en dat klinkt al een stuk prettiger. Al wordt het ook een uitdaging op zich om ouders uit te leggen dat je fanatiek rugbyende zoon een tijdje balletlessen gaat volgen! Bestuurders van clubs zullen dus moeten kunnen toelichten dat dit soort lessen meer bijdragen aan de sportieve ontwikkeling van hun leden, dan een kampweekend of een sportieve uitwisseling met een bevriende Duitse club. De verantwoordelijkheid om dat aan hun achterban uit te leggen kun je clubs wel geven.

FitNorm voor gemeentes

De verantwoordelijkheid om samenwerking tussen clubs te ontwikkelen en te ondersteunen kun je wel bij gemeentes leggen. Zij zouden de samenwerking tussen verenigingen kunnen faciliteren. Zij hebben bovendien vaak al een prachtig instrument in handen: De Brede School. Een gemeentelijke voorziening waarmee aan scholieren niet alleen culturele maar ook sportieve activiteiten wordt aangeboden. Die sportieve activiteiten worden vaak al ingevuld door de sportverenigingen zelf. Gemeentes kunnen er voor zorgen dat deze activiteiten niet alleen dóór clubs worden verzorgd, maar ook vóór de clubs. Dit allemaal voor een brede, fysieke ontwikkeling van de jeugd, voor een leven lang gezond sporten zonder blessures. En voor de kosten van onze gezondheidszorg. Feitelijk zouden dus niet alleen de burgers, maar ook de gemeentes moeten voldoen aan de FitNorm.

Ruud Broekhuizen

Ruud Broekhuizen studeerde Bewegingswetenschappen. Hij gaf looptraining aan het eerste dameshockeyteam van Huizen, momenteel geeft hij atletieklessen aan jonge schaatsers. Hij is vader van 2 sportende kinderen. Hij schreef dit artikel niet namens SC Gouda maar op persoonlijke titel.

“Hoe meer ik train, hoe beter ik word” (of niet?)

Artikel van Sportgek® (september 2012)

Er wordt in Nederland hard getraind voor halve en hele marathons en andere duurlopen. Op dit moment zijn ook vele schaatsers al weer geruime tijd vol in training voor het nieuwe seizoen. En voor de wielrenners en inline-skaters loopt het seizoen al weer (of eindelijk) naar het einde. Niet zelden zien sportpsychologen in hun praktijk sporters, met kenmerken van overtraindheid. Zij worden doorgestuurd door hun sportarts met het advies om uit te vinden wat de overtraindheid veroorzaakt heeft, te leren over de mentale component van de overbelasting en hoe verstandig en gezond weer terug te keren in de sport.

Wanneer heb je nou meer risico op overtraindheid? We zetten 5 factoren voor je op een rij:

–          Geen herstel/rust opnemen in het trainingsprogramma, een tekort aan rustdagen. Regelmatig zien we sporters die met verschillende groepen meetrainen, waardoor de trainingsload niet op elkaar is afgestemd en door trainingen en wedstrijden er geen enkele dag in de week meer is zonder sport.

–          Een plotselinge verhoging van de trainingsomvang en zwaarte. Bijvoorbeeld een jonge atleet die in een selectie gaat trainen en van 4 naar 7 trainingen per week is gegaan.

–          Gebrek aan flexibiliteit en individuele aanpassingen in het trainingsschema. Met name bij verkoudheidjes, griepjes of lichte blessures wordt vaak onverminderd hard doorgetraind. Al zou dit lichamelijk nog best wel kunnen, sporters maken zich daar vaak zorgen over. En die zorgen kosten energie. Twijfels over of het wel goed is wat je aan het doen bent, met name aan de overtraindheids-kant, werken extra sterk door.

–          Bang zijn om te weinig te doen. Vooral als de resultaten wat achter blijven denken sporters: ‘ik moet harder trainen, hoe meer ik train, hoe beter ik word’.

–          Perfectionistische inslag. Alle trainingen in het schema moeten precies zo gevolgd worden zoals ze erin staat. Hoe je je ook voelt. Alles moet kloppen. Star vasthouden aan rituelen, waardoor als dingen een keer iets anders lopen er geen flexibiliteit is en stress ontstaat.

Gebruik deze risicofactoren om na te gaan hoe het er bij jou voor staat. Hard trainen en de grenzen van je kunnen opzoeken hoort bij prestatiesport. Soms moet je echter toch tijdelijk wat gas terugnemen. Uiteindelijk is het belangrijker dat je gezond en gemotiveerd goed kan presteren, dan dat je jezelf nodeloos veel mentale en fysieke problemen op de hals haalt .

Bochtentechniek: verschil schaatsen en inline-skaten

Hoe gaat een schaatser door de bocht en hoe komt een inline-skater door diezelfde (?) bocht? Open vraag: de Wiki heeft één plaatje dat wellicht alles zegt, maar we zijn benieuwd naar jullie deskundige mening of uitleg. Laat het ons weten via info@skeelerwiki.nl

Klik op de afbeelding hieronder om ‘m te vergroten.

 

Belastbaarheid van jonge sporters

Wieteke Cramer schreef op 19 oktober 2011 dit artikel voor schaatsen.nl

Het artikel is gericht op jeugdige schaatsers, maar de context geldt ook voor andere sporten.

“Wat is de huidige visie omtrent belasting/belastbaarheid bij het trainen van jeugdig talent?”

De laatste jaren is er veel veranderd in de schaatssport.  Vernieuwing van materiaal en trainingsvormen. Maar ook is er sprake van professionalisering van de sport. Jonge sporters verhuizen naar Heerenveen om zoveel mogelijk met elkaar te kunnen trainen. Nu is de vraag, wanneer mag die professionalisering toetreden bij een jonge schaatser?

Bij teveel training is de kans op overbelasting groter. Blessures spelen op, of een sporter raakt zelfs overtraind. Wanneer wordt de belasting bij een puber (10-14 jaar) teveel? Tegenwoordig wordt er in die leeftijdsgroep al meer dan twee keer in de week geschaatst. Gaat dat niet ten koste van de schaatstoekomst?

Een lastige vraag die veel antwoorden kent. We vroegen het  Dr. Michel Brink, docent bij Bewegingswetenschappen aan de Rijksuniversiteit van Groningen. Brink coördineert onderzoek naar de optimalisatie van sportprestaties bij het Instituut voor Sportstudies aan de Hanzehogeschool in Groningen.

“De optimale trainingsbelasting is afhankelijk van de individuele belastbaarheid van talentvolle schaatsers. Daarbij komt ook het herstel van de training om de hoek kijken. Hoe herstelt een kind zich fysiek van iedere training. Dat is nog wel eens verschillend. Maar niet alleen het fysieke aspect is hierbij belangrijk, maar ook het psychosociale aspect, oftewel wat doet een kind allemaal nog naast zijn sport. Slaapt iemand wel genoeg of is er stress voor een belangrijk examen.”

Herkennen

“Overbelasting bij jonge sporters zou sneller te herkennen zijn door alle aspecten zorgvuldig in kaart te brengen door middel van een trainingsdagboek. Daarin wordt bijvoorbeeld vermeld in hoeverre de sporter is hersteld van de vorige training en hoe zwaar trainingen worden ervaren. Deze informatie kan overzichtelijk in grafieken worden gepresenteerd en worden gekoppeld aan individuele prestaties. Zo kan een individueel trainingsprogramma worden opgesteld en indien nodig worden aangepast om overbelasting te voorkomen.”

Schaatstrainer Jeroen van der Lee werkt mee aan het Talent Herkenning en Ontwikkelings Model van de KNSB. Ook voor hen is het een interessante vraag hoeveel een jonge schaatser belast mag worden. “We zien bij de gewesten van de KNSB een duidelijk stijging van schaatstrainingen in de week. In Noord Holland kiezen ze er zelfs al voor om vijf keer per week met de jeugd op het ijs te staan.”

“Ik ben daar geen voorstander van.Voor de motoriek van schaatsers op jonge leeftijd is het goed om je breed te ontwikkelen. Dit betekent veel verschillende sporten. Dus fietsen, hardlopen en schaatsen en geen eenzijdige belasting. Wat mij betreft kan drie ijstrainingen op elke leeftijd wel, mits je veel variatie in andere bewegingsvormen er naast hebt. En dat stapsgewijs opbouwt!”

Conditietest voor inline-skaters

Er is een groot aantal methoden om je bepalen hoe je er conditioneel voor staat. Eén van die methoden is de zgn. Zoladz-test. Hieronder lees je hoe die er uit ziet. Zou je ‘m ook op skeelers kunnen doen?

Zoladz test

De oorsprong van de Zoladz-test ligt in het begin van de jaren tachtig. Arend Karenbeld, destijds trainer van onder andere Nederlands recordhouder op de marathon Gerard Nijboer, besloot zich volledig te verdiepen in het langeafstandlopen. Na het doornemen van de nodige literatuur deelde Karenbeld de trainingsschema’s voortaan in in zones, waarbij hij steeds uitging van een percentage van de maximale hartslag. De Poolse bewegingswetenschapper Zoladz hoorde Karenbeld hierover spreken tijdens een congres en daarop besloot de Pool dit idee verder uit te werken. Hij maakte ook gebruik van de zones en stappen, maar veranderde de percentages in absolute getallen. Hierdoor werd de test eenvoudiger om mee te werken. Ook de blokken van zes minuten zijn een handig hulpmiddel om te zien met welke snelheid de atleet zich voortbeweegt. Loopt hij in zes minuten 1200 meter, dan is zijn snelheid twaalf kilometer per uur. Loopt hij in zes minuten 2050 meter, dan loopt hij twintig en een halve kilometer per uur. Dit systeem spaart dus een hoop rekenwerk uit. Het doel van de test is het bepalen van de afstand die een atleet kan afleggen door zo exact mogelijk te lopen op vijf verschillende hartslagen, respectievelijk vijftig, veertig, dertig, twintig en tien slagen onder de maximale hartslag.

Pas in 1998 werd de test in Nederland geïntroduceerd door bondstrainer Honoré Hoedt, die zeer enthousiast was over de methode van Zoladz. Volgens Hoedt is de test zowel een manier om de atleet te testen, als een communicatiemiddel tussen atleet en trainer, en tussen trainers onderling. De coaches die de test gebruiken, spreken dezelfde taal. Een duurloop was altijd gewoon een duurloop, ongeacht de snelheid. Door de komst van de zones kan onderscheid gemaakt worden in de verschillende tempo’s van duurlopen. In eerste instantie laaide het enthousiasme onder de atleten niet al te hoog op, maar na enkele aanpassingen in de ‘gebruiksaanwijzing’ van de test, werd deze een feit in het talentenproject. Zo staat uitgelegd dat de atleten die de test gaan doen, twee dagen van te voren geen inspannende trainingen mogen doen. Tijdens het inlopen voor de test moeten een paar snelle steigerungen gedaan worden om later de hartslag snel omhoog te krijgen.

Ook voor recreanten

Gerard Nijboer was de eerste Nederlander met een Polar hartslagmeter. Hij kreeg een exemplaar cadeau toen hij in 1983 in Finland was. Hij legt uit dat de Zoladz-test er niet alleen is voor wedstrijdatleten. ‘Ook recreanten kunnen hun voordeel doen met deze test. Het verschil tussen hun zones is misschien kleiner dan bij topatleten, maar de resultaten van de trainingen zijn wel degelijk zichtbaar,’ verklaart de oud-marathonloper. ‘De eerste keer gaat de test vaak volledig de mist in. Dat komt omdat niet iedereen zijn maximale hartslag weet. Als je echt geen idee hebt, kun je tweehonderdtwintig minus de leeftijd doen, maar die regel gaat lang niet voor iedereen op.’ Er zijn nog andere manieren om de maximale hartslag te vinden, bijvoorbeeld door een maximaaltest te doen. Wie regelmatig met een hartslagmeter traint, kan uitgaan van de hoogst geregistreerde hartslag van de afgelopen twee jaar. Een andere mogelijkheid is een maximaaltest te lopen over een afstand tussen de drie- en achthonderd meter, eventueel met als slot een heuvel van honderdvijftig tot tweehonderd meter. Een maximaaltest kan een atleet het beste aan het begin van de training doen, wanneer hij nog fit is.

Hoe gaat de stappentest nu in zijn werk? Bij een persoon met een maximale hartslag van 200 slagen per minuut ziet de test er als volgt uit:

Zone 1 150 slagen per minuut

Zone 2 160 slagen per minuut

Zone 3 170 slagen per minuut

Zone 4 180 slagen per minuut

Zone 5 190 slagen per minuut

Zo ziet het tempo er ongeveer uit in de verschillende stappen:

Zone 1 Heel rustig tempo

Zone 2 Normaal tempo

Zone 3 Vlot

Zone 4 Rond het omslagpunt

Zone 5 Pittig tempo boven het omslagpunt, richting maximaal

Een voorbeeld van een mogelijk resultaat van de test:

Zone 1 1350 meter/13,5 km per uur

Zone 2 1520 meter/15,2 km per uur

Zone 3 1670 meter/16,7 km per uur

Zone 4 1810 meter/18,1 km per uur

Zone 5 1960 meter/19,6 km per uur

In de trainingen daarna kan de atleet de zones omzetten in trainingstempo’s:

Zone 1 langzame duurloop/herstelloop

Zone 2 normale duurloop

Zone 3 pittige duurloop

Zone 4 lange tempolopen

Zone 5 korte tempolopen

Hartslagmeter, stopwatch en atletiekbaan

Voor de test is in principe niet meer nodig dan een hartslagmeter, een stopwatch en een atletiekbaan of een goed gemeten stuk weg, en een pen en papier. Voor elke stap gaat de atleet zes minuten lopen, te beginnen met zone één. De volledige zes minuten moet de hartslag bijvoorbeeld op honderdvijftig slagen per minuut blijven, hoe langzaam de loper dit ook vindt. Na zes minuten stopt de loper en kijkt hij hoeveel afstand hij heeft afgelegd. Er volgen twee minuten rust, waarin de loper rustig rondwandelt. Dan loopt hij zes minuten in zone twee en volgt dezelfde procedure. Dit gaat bij elke zone zo. In zone vier wordt het vaak moeilijker om zes minuten de juiste hartslag te houden en in zone vijf is dit vaak erg zwaar. Behalve dat de stappentest een handig houvast is om de trainingen aan op te hangen, is de test op zichzelf ook al een goede training.

Als de resultaten van de test verwerkt zijn, kun je dus precies zien in welke hartslagzone je welke training moet doen. Zone vier zit volgens Nijboer meestal rond het omslagpunt, het punt waarop de spieren beginnen te verzuren. Zone vijf doet daar nog een schepje bovenop. ‘Voor recreanten is dat heel moeilijk vol te houden, die hoeven die zone ook niet persé te gebruiken. Voor toppers is het gemakkelijk vol te houden om zes minuten in zone vijf te lopen.’ Door het lopen van duutraining en intervaltraining verspreid over de vijf gevonden hartslaggebieden nemen de loopafstanden en de gemiddelde snelheid per uur geleidelijk aan toe, evenals (uiteindelijk) het wedstrijdniveau.

Vooruitgang

Inspanningsfysioloog Gerard Rietjens is verbonden aan het talentenproject Villa MiLa. Hij maakt veel gebruik van de stappentest en test ‘zijn’ atleten regelmatig. Volgens Rietjens is het voor de beginnende loper het beste om zijn trainingsarbeid uit te voeren in zone één tot en met drie, en de gevorderde loper kan direct in alle zones trainen. ‘Het verschil tussen zone één en vijf is bij beginnende lopers maar heel klein,’ zegt de bewegingswetenschapper. ‘Een beginner loopt in de eerste zone misschien negen of tien kilometer per uur en in zone vijf gaat hij wellicht elf of twaalf kilometer per uur. Bij topsporters kan dit verschil heel groot zijn, daar zit soms wel vijf of zes kilometer per uur tussen.’ Na een trainingsperiode van bijvoorbeeld zes weken kun je de test herhalen om te zien hoe veel vooruitgang er is geboekt, en in welke zone er het meeste vooruitgang zit. Rietjens: ‘Een minder goed getrainde atleet laat vooral verbetering zien in de lagere zones, omdat dit de stappen zijn waarin hij het meest traint. Topatleten laten verbetering zien, daar waar ze de accenten van hun trainingen leggen. In tijden dat ze minder wedstrijden lopen, zit de verbetering vooral in de lagere zones, in het ‘hoogseizoen’ met name in de lagere zones.’ Volgens Rietjens lopen de meeste onervaren atleten zo veel mogelijk net onder hun omslagpunt, omdat dit het lekkerst loopt. ‘Maar het is echter belangrijk dat je alle zones traint,’ vervolgt Rietjens ‘De eerste zone, waarin je heel rustig loopt, is goed om een basis te leggen voor het uithoudingsvermogen. Ook is dit een goed tempo om te herstellen van een wedstrijd of zware training. Maar wanneer je echter alleen deze zone traint, word je uiteindelijk een dieselmotor zonder snelheid. Het is goed om een keer per week in zone vier of vijf te trainen, en als je goed getraind bent, kun je dat vaker doen.’

Kennisdeling: NL Coach

NLcoach is een kennis- en netwerkorganisatie opgericht en bestuurd door topcoaches. Zij delen graag hun kennis en ervaringen met andere trainer-coaches.
Het doel van NLcoach is om de deskundigheid van trainer-coaches te verhogen. De nadruk ligt hierbij op sporttakoverstijgende thema’s als de basisprincipes van het coachen, teambuilding, mentale begeleiding, talentontwikkeling en trainingsleer. In de vijf kernactiviteiten – magazine NLCOACH, site www.nlcoach.nl, congressen en cursussen – staat altijd één of meer van deze thema’s centraal.

Door de opheffing van de NFWS in 2005 dreigde er een gat te vallen in de belangenbehartiging van trainers en coaches in Nederland, juist op het moment dat de professionalisering steeds meer begon aan te slaan. Zeven Nederlandse topcoaches, onder leiding van Joop Alberda, hebben daarom de handen ineen geslagen om NLcoach op te richten. De initiatiefnemers waren Joop Alberda, Cor van der Geest, Jac Orie, Henk Kraaijenhof, Roelant Oltmans, Toon Gerbrands en Jan Reker. Het is hun ambitie om hun kennis te delen met andere trainer-coaches: zowel in de topsport als in de breedtesport.

Joop Alberda is voorzitter van het bestuur van NLcoach wat verder bestaat uit Marc Delissen, Henk Kraaijenhof, Cor van der Geest, Tjerk Bogtstra en Robert Eenhoorn. De realisatie van de doelstellingen en de uitvoering van de taken ligt in handen van het bureau van NLcoach, dat onder leiding staat van directeur Bert Bouwer.

Check hier de website: http://www.nlcoach.nl/

Periodiseren: sleutel tot continue progressie

Onder periodiseren verstaan we het plannen van trainingen in de tijd.

Is het dat dan? Nee! Er zijn meerdere wegen die naar Rome (progressie) leiden. In de trainingsleer bekende namen als Tschiene, Matwejev, Verchoschansky, Dreschler en Bompa komen langs. Lees hieronder verder:

Periodiseren – historie

Van oudsher heeft men onderkend dat aan het leveren van topprestaties een planmatig en systematisch trainingsplan ten grondslag moet liggen (Siff, 2003). Op basis van onder meer doelstelling en beginsituatie wordt het trainingsproces ingericht om het vooraf bepaalde doel — op een vooraf bepaald tijdstip – te behalen.

Planning van het trainingsproces —inclusief periodisering — is geen moderne uitvinding. Siff (Siff, 2003) geeft een uitvoerig overzicht van de geschiedenis en ontwikkeling van het periodiseringconcept. Zo werd in het oude Rome en Griekenland het belang van een goede organisatie van de fysieke training — in militaire context — al onderkend en kenden de Grieken 2000 jaargeleden al een specifieke voorbereidingsperiode voor de Olympische spelen.

De basis voor moderne periodisering werd gelegd in de Sovjet-Unie ten tijde van de Russische revolutie. Zo onderscheidde Kotov (1917) de volgende trainingsfasen in zijn boek: algemeen, voorbereidend en specifiek. En in Engeland publiceerde Dyson (1946)zijn boek “A New System of Training” waarin hij een 5-fasen periodiseringsysteem presenteerde.

Ozolin (1949) droeg bij aan het periodiseringconcept door te benadrukken dat de wedstrijdkalender en klimaatfactoren ook mee moesten worden genomen in het periodiseringsmodel. Hij benadrukte eveneens het belang van ‘actieve rust’ tijdens de overgangsperiode.

De naam die het meest geassocieerd wordt met periodisering is Matveyev. Hij droeg in belangrijke mate bij aan het moderne periodiseringconcept op basis van eigen origineel werk, als de verwerking van eerdere opvattingen. Matveyev verdeelde het trainingsjaar in verschillende fases (voorbereiding, wedstrijd en overgangsperiode), elk met onderscheiden en specifieke kenmerken en doelstellingen. Tevens wordt het verloop van omvang en intensiteit aangegeven: naarmate het seizoen vordert en de piekmomenten dichterbij komen neemt de intensiteit toe en het volume af. De specificiteit van de training volgt hetzelfde verloop als de intensiteit: dus steeds specifieker trainen naarmate de belangrijke wedstrijden dichterbij komen.

Het model van Matveyev werd van diverse kanten bekritiseerd en aangevuld, o.a. door Tschiene, Bondartchuk en Verchoshanski. En dat is niet meer dan logisch: immers, een model is van algemene aard, bedoeld als richtlijn en denkraam. Elke specifieke sport en sporter zal het moeten aanpassen aan eigen mogelijkheden en behoeften.

De Roemeen Tudor Bompa moet zeker ook genoemd worden. Bompa wordt door velen gezien als dè autoriteit op het terrein van de periodisering. Zo ontwikkelde hij specifieke periodiseringmodellen voor krachttraining. Daarin wordt een vaste volgorde van krachtsopbouw doorlopen. In de context van sportspecifieke krachttraining wordt er verondersteld dat de verworven krachteigenschappen — vooral power — ‘omgezet’ kunnen worden in de beoefening van de desbetreffende sport (Bompa, 1999). Juist op dit punt wordt Bompa bekritiseerd: aanpassing is immers altijd specifiek en de transfer van het krachthonk naar het veld blijft een probleem.

 

Waarom periodiseren?

Het alternatief voor periodiseren is alles tegelijk trainen c.q. weinig variëren. In het extreme geval leidt dit tot een niet te behappen trainingsomvang. Overtraining en trainingsmoeheid liggen op de loer. Bovendien kan de sporter niet elke dag in topvorm zijn. Een piek wordt altijd omgeven door twee dalen. Atleten observeerden ook zelf dat ze niet elke dag in topvorm konden zijn en dat vermoeidheid één van de oorzaken daarvan was. Door (noodgedwongen) even gas terug te nemen bleek men weer beter te gaan presteren (Drechsler, 1998).

Ook Matwejew — door sommigen beschouwd als de ‘vader’ van het moderne periodiseringconcept – beweerde al in de jaren zestig dat, als er onvoldoende afwisseling van trainingsbelasting plaatsvindt, de lichaamsfuncties zich niet meer tot een hoger niveau aanpassen. Prestatieverbetering zou na verloop van tijd uitblijven. Met andere woorden: everything works, but nothing works forever.’

Periodiseren betekent dat periodes van hoge intensiteit afgewisseld worden met perioden van lagere intensiteit. Hieraan kunnen ook trainingsvariabelen als volume en specificiteit toegevoegd worden, Periodisering heeft dus niet enkel te maken met het variëren van de oefenstof, maar ook het planmatig variëren van trainingsvariabelen als intensiteit, volume, specificiteit enz. Hiermee doet periodiseren recht aan het afstemmen van belasting en herstel: prestaties vereisen veel trainingsarbeid, maar zeker net zoveel aandacht voor herstel en adaptatie (Stone, 2003).

Een tweede belangrijke doelstelling van periodisering is het streven naar een topprestatie op een vooraf bepaald tijdstip.

Een derde reden om te periodiseren heeft te maken met de hiërarchische structuur van het trainingsproces: training van motorische eigenschappen als kracht en snelheid vereisen een bepaalde methodische opbouw. Om op lange termijn kracht en power te ontwikkelen is het bijvoorbeeld wenselijk het lichaam eerst te laten gewennen aan een dergelijke belasting: anatomische aanpassing.

Daarna kan eventueel een structurele basis gelegd worden middels hypertrofie training om vervolgens over te gaan op neurale trainingsvormen als maximale kracht en powertraining, inclusief reactieve en sportspecifieke vormen (Bompa, 1999).

 

Periodiseringmodellen

Het klassieke algemene periodiseringplan deelt het trainingsseizoen in in een voorbereiding, competitie en overgangsfase. In de voorbereidingsfase is de intensiteit relatief laag, het volume hoog en worden er algemene trainingsvormen gebruikt. Naarmate de competitiefase dichterbij komt neemt de intensiteit toe, het volume af en de specificiteit van de training toe. Overigens staat dit klassieke model vaak ter discussie.

Zo dacht Matwejew in perioden van maanden, mesocycli: in april moet er anders worden getraind dan in november. Kreer en Popov meenden in de jaren zeventig dat die afwisseling van trainingsbelasting het beste binnen een cyclus van twee weken kon worden ingepland.

Hoge en minder hoge trainingsbelasting, en algemene en specifieke training konden binnen een tijdsduur van twee weken aan de orde komen. We zien hier al de voorloper van de latere “golfvormige methode”.

Krachttraining volgens de blokorganisatie betekent dat de diverse onderdelen (zoals maximaalkracht, explosieve kracht, krachtuithoudingsvermogen) in een bepaalde volgorde in tijdsblokken worden getraind. Echter, de transfer van de ene fase naar de andere is een probleem. Tegen de tijd dat je bijvoorbeeld in de ‘powerfase’ terecht bent gekomen, ben je een deel van je hypertrofie weer kwijt. Bovendien moeten vele sporters gedurende het hele jaar, of een groot deel daarvan, in topvorm zijn en is er eigenlijk geen ruimte voor een algemene voorbereiding met lage intensiteit en niet-specfieke trainingsmethoden. Bij de golfvormige methode stop je alle vormen van krachttraining in een weekprogramma, of zelfs in één training. De sporter krijgt dan alle prikkels tegelijk toegediend.

Op het klassiek model bestaan overigens vele varianten: periodes kunnen korter zijn, er kan eerder specifiek getraind worden, volume en intensiteit kunnen beide tijdelijk toenemen enz. Juist de aanpassing van het algemene model aan de specifieke situatie van de sporter is een belangrijke opgave van de trainer/coach (Drechsler,1998).

Tenslotte bestaat er ook nog de zogenaamde ‘intuïtieve’ methode van trainingsplanning. Hierbij wordt trainingsplanning helemaal overboord gegooid en wordt de trainingsinhoud bepaald door hoe de sporter zich op dat moment voelt. Drechsler (1998) merkt op dat dit wellicht een zinvolle methode is voor zeer gevorderde sporters, maar voor andere sporters zeer zeker niet.

Lees hier verder over periodiseren: http://www.nlcoach.nl/kenniscentrum/fysiek/periodisering-onmisbaar-voor-systematische-trainingsopbouw/

Mentale training

Naast fysieke training erkennen steeds meer sporters het belang van mentale training. Hardy Menkehorst houdt zich bezig met de vraag hoe sporters tot een optimale prestatie kunnen komen. De sportpsycholoog is betrokken bij de schaatssport en begeleidt sporters uit verschillende schaatsdisciplines.

Fiona van Doorn van schaatsen.nl sprak met Menkehorst, lees hier haar verslag: http://schaatsen.nl/nieuws/2011-03-01-mentale-training-tijdwinst-voor-de-sporter of check hier een presentatie van Hardy Menkehorst: http://www.scimwebsite.nl/Downloads/Docs/PresentatieHardyMenkehorst.pdf

 

 

Clinics Double Push

We hebben het al eerder over deze veelbesproken skeelertechtniek gehad (lees: http://www.skeelerwiki.nl/double-push-voor-beginners/)  en kunnen nu deze clinics aankondigen:

Wedstrijdskeeleraars kunnen er niet meer omheen; de Double push. De Amerikaan Chad Heddrick ontwikkelde deze techniek waarbij je vaker af kunt zetten dan met de conventionele schaatsslag. Inmiddels rijden alle topskeeleraars met deze techniek. Ook jij kan de basis van deze bijzondere techniek onder de knie krijgen.
Zondag 22 augustus
en zondag 5 september verzorgen wedstrijdskeeleraars Christiaan van den Berg en Antoine de Schipper deze clinic op de skeelerbaan in Zeist (aanvang 11.00 uur). De clinic duurt anderhalf uur en kost 15 euro. Opgeven kan door een mail te sturen met je naam en de datum van de clinic naar: info@balancedfit.nl